vacatures

wet & regelgeving

INFORMATIE, SPECIAAL VOOR EEN IEDER DIE HOUT BEWERKT

Per 1 juli 2006 zijn de Europese Atex-richtlijnen ook in Nederland van kracht geworden. Deze richtlijnen behandelen – onder andere – de risico’s van stofexplosies. Er is sprake van 2 veschillende Atex-richtlijnen, kortweg Atex 153 (voorheen Atex 137) en Atex 114 (voorheen Atex 95).

Atex is een samentrekking van het Franse “Atmosphères Explosibles”, oftewel explosieve atmosferen.

Atex 153 is een werkplek-richtlijn. Hierin wordt beschreven hoe men dient om te gaan met de gevaren van stofexplosies op de werkplek en worden werkplekken ingedeeld in gevarenzones. Atex 153 is opgenomen in de Arbowet en heeft daardoor gevolgen voor houtverwerkende bedrijven. Bedrijven, die met brandbare materialen werken, dus ook de houtverwerkende, moeten namelijk in het kader van de RI & E inventariseren of er sprake is van explosiegevaar. Zo ja, dan krijgt men te maken met de formaliteiten van Atex 153, zoals het opstellen van een Explosie Veiligheids Document. De diverse branche-organisaties in de houtverwerkende sector geven hieromtrent uitgebreide en adequate voorlichting.

Atex 114 is een produkt-richtlijn. Hierin worden eisen gesteld aan apparatuur die bedoeld is om in explosieve atmosferen (voor zover vallend onder Atex 153) te worden gebruikt. Daarbij gaat het dan om produkten, die van zichzelf een ontstekingsbron zijn, veelal elektrische componenten. Deze moeten door een door de EU aangewezen instantie (Notified Body) worden goedgekeurd en krijgen dan een Atex-certificaat, waarin staat in welke gevarenzone het produkt toepasbaar is.

Als in een bedrijf geen Atex-zones (volgens Atex 153) aanwezig zijn, is er ook geen Atex-apparatuur (volgens Atex 114) nodig.

Apparatuur die niet in een stoffige omgeving staat – voorbeelden zijn een buiten opgestelde afzuiginstallatie, of een in zo’n bedrijf binnen opgestelde onderdrukafzuiging zonder inwendige ontstekingsbronnen – vallen daarmee niet onder de werking van Atex 114.

EXPLOSIEVE ATMOSFEER (ATEX 153)

Stofexplosies kunnen ontstaan als een ontstekingsbron werkzaam is in een explosieve atmosfeer. De eerste vraag die beantwoord moet worden is dan ook: wat is een explosieve atmosfeer? Welnu, van een explosieve atmosfeer is sprake als per kubieke meter lucht tenminste 30 gram fijn houtstof (deeltjesgrootte kleiner dan 0,5 mm), gelijkmatig verdeeld, aanwezig is.

In verreweg de meeste houtverwerkende bedrijven zullen er onder normale omstandigheden geen werkplekken zijn met machines waar dit soort stofwolken uit komen, zelfs niet bij een slecht werkende afzuiging. Met name het aspect van de gelijkmatige verdeling in de lucht is daarbij een belangrijke factor.

Dan hebben wij dus niets met Atex te maken, zult u denken.

Dat is helaas niet het geval, want Atex 153 behandelt naast primaire stofbronnen (machines die stof uitstoten) ook secundaire stofbronnen. Hieronder worden stoflagen verstaan die overal in het bedrijf kunnen voorkomen (op de vloer, in en rond machines, op richels, boven op afzuigbuizen etc.) De redenatie is dat deze stoflagen door opwerveling een explosieve atmosfeer kunnen creëren; hoe dat zou kunnen, is niet relevant.

BELANGRIJK: een laagdikte van enkele tienden van een millimeter is al voldoende!

Zo gauw een stoflaag langer dan 10 uren per jaar aanwezig is, gelden de bepalingen van Atex 153. De voornaamste zijn:

- De explosieve atmosfeer strekt zich uit tot een straal van 3 meter rondom en 2 meter boven de stofafzetting.

- Binnen deze zone mogen geen ontstekingsbronnen actief worden.

ONTSTEKINGSBRONNEN

Enkele voorbeelden van ontstekingsbronnen zijn: schakelaars, TL-buizen, elektromotoren, oververhitte V-snaren, radio’s, statische schoenzolen, mobiele telefoons en vastlopende zaagbladen.

Een en ander betekent bijvoorbeeld dat als er rondom uw cirkelzaag ook maar 1 dag per jaar wat stof is achtergebleven en het ligt er de volgende ochtend nog, dat alle elektrische en mechanische componenten van die zaag moeten voldoen aan Atex 114, dat u geen radio binnen 3 meter aan kunt zetten, geen statische kleding of schoeisel kunt dragen en geen telefoon op zak mag hebben.

Idioot en onwerkbaar, maar wel conform de regelgeving.

Gelukkig is er een manier om hieronder uit te kunnen. Hierbij is de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR-7910-2 behulpzaam. Deze richtlijn zegt dat als er in het bedrijf een zogenaamde “Praktijk van Schoon Huishouden” is ingesteld, de tijdsduur voor de aanwezigheid van stoflagen mag worden opgerekt naar 1000 klokuren per jaar.

Een Praktijk van Schoon Huishouden houdt in dat stelselmatig – liefst aan het eind van iedere werkdag – door stofzuigen alle stof wordt opgeruimd en dat dit wordt vastgelegd in een logboek, zodat het aantoonbaar is naar instanties als de Arbeidsinspectie, brandweer en verzekeraars. Atex 153 is dan niet meer van toepassing, tenzij – in het zeldzame geval – dat er in het bedrijf machines staan opgesteld met meer dan 1000 draaiuren per jaar, die onvoldoende kunnen worden afgezogen. (Hierbij wordt er van uit gegaan dat er meer dan duizend uur stof rondom zo ‘n machine aanwezig is, dat niet onmiddellijk wordt opgeruimd.)

Geadviseerd wordt daarom dat ieder houtverwerkend bedrijf, klein of groot, een Praktijk van Schoon Huishouden instelt. Inmiddels is gebleken dat hiermee veel gedoe met instanties kan worden voorkomen.

Dezelfde NPR-7910-2 biedt nog een andere uitweg. Als namelijk de totale hoeveelheid fijn stof in een gebouw minder is dan 50 kg met deeltjesgrootte 0,1 mm, is Atex 153 eveneens niet aan de orde. Dit is overigens wel lastig aantoonbaar.


EISEN AAN AFZUIGINSTALLATIES

Door de invoering van de Atex-richtlijnen is ook het explosiegevaar bij afzuiginstallaties sterk in de belangstelling komen staan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat er bij een houtbewerkingsmachine vonken ontstaan, die vervolgens worden opgezogen en in de afzuiging brand veroorzaken. Brand kan onder de “juiste” omstandigheden leiden tot een stofexplosie in de afzuigunit, iets wat niet met bedrijfseconomisch acceptabele technieken kan worden voorkomen. Men moet er dus te allen tijde van uitgaan dat een afzuiginstallatie kan ontploffen. Met dit gevaar moet door zowel de fabrikant als de gebruiker rekening worden gehouden. Daarbij bestaat er een groot verschil tussen buiten en binnen opgestelde afzuiginstallaties.

BUITEN OPGESTELDE AFZUIGINSTALLATIES

Voor buitenopstellingen geldt enkel dat moet worden voorkomen dat een stofexplosie naar binnen slaat. Dit kan eenvoudig worden gerealiseerd door het aanbrengen van explosie-ontlastingspanelen op de filterkast, een terugslagklep in de zuigleiding en een U-bocht constructie met ingebouwde ontlasting in het retourkanaal.

BINNEN OPGESTELDE AFZUIGINSTALLATIES

De drukopbouw bij een explosie van houtstof kan oplopen tot 10 bar, dat is zelfs hoger dan de druk van perslucht. Een afzuigunit kan natuurlijk niet zo sterk als een persluchtvat zijn, daarom wordt de druk altijd met explosiepanelen gereduceerd tot een voldoende laag niveau.

De uittredende steekvlam mag echter niet naar binnen geleid worden. Daarom moet bij binnenopstellingen de unit tegen een buitengevel worden geplaatst, zodat er openingen in de gevel (of eventueel het dak) kunnen worden gemaakt.

Maar wat nu als dat niet mogelijk of wenselijk is? Dan ontstaat er een situatie die niet door de Atex-richtlijnen of enige andere Nederlandse c.q. Europese regelgeving of norm is afgedekt. Dit is heel erg lastig, want binnen opgestelde afzuigunits zonder explosie-ontlasting worden op grote schaal gebruikt, zeker waar het om de kleinere apparaten gaat. Bij de invoering van de Atex-richtlijnen ontstond hierover aanvankelijk dan ook grote verwarring. Inmiddels tekent zich echter bij de controlerende instanties en de verzekeraars een trend af, die erop neerkomt dat deze opstellingen OK zijn, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- De afzuigunit is geheel gesloten en werkt volgens het onderdrukprincipe

(Bij onderdruk is de ventilator na het filter geplaatst en is de afzuigunit vrij van ingebouwde ontstekingsbronnen. Aanzuigen van externe vonken blijft evenwel altijd mogelijk. Verder kunnen zich rondom een onderdrukunit geen stoflagen vormen en onstaat er dus rondom de unit geen Atex-zone.)

- De omkasting is voldoende drukstootvast geconstrueerd

(Wat “voldoende” is, is onduidelijk. In Duitsland wordt hiervoor, conform DIN 8416, een overdruk van 200 mbar, oftewel 0,2 bar aangehouden. Dit is echter te weinig, wetende dat de explosiedruk 50 x hoger ligt. In Nederland - en overig Europa - wordt deze waarde daarom vooralsnog niet geaccepteerd.)

- De unit beschikt over een ingebouwde automatische brandblusinrichting

(In de wetenschap dat een stofexplosie bijna altijd wordt voorafgegaan door brand in de unit, wordt hiermee het risico sterk teruggebracht.)

BINNEN OPGESTELDE OUDE (OVERDRUK)INSTALLATIES

Een groot deel van de binnen opgestelde afzuiginstallaties is nog van het ouderwetse overdrukprincipe. Deze apparaten geven stof af en als dat langer dan 1000 uur per jaar blijft liggen, is Atex wel van toepassing.

Voor bestaande apparatuur moet per geval een risico-analyse worden gemaakt en vervolgens kunnen de noodzakelijke aanpassingen worden gedaan. Dit kan uiteenlopen van het aanbrengen van explosie-panelen in combinatie met het voorkomen dat een explosie naar binnen slaat, of het wijzigen van de opstelling, tot het compleet vernieuwen van de apparatuur.

TOT BESLUIT

Vaak wordt er gevraagd: voldoet de afzuiginstallatie aan Atex ?

Zoals uit het vorenstaande duidelijk geworden moge zijn, kan deze vraag niet zomaar worden beantwoord. Nogmaals, de Atex-regelgeving heeft betrekking op de veiligheid bij stofexplosies in een gebouw, op de werkplek. Wat men dan eigenlijk bedoelt te vragen is: kan de afzuiging, als daarin een explosie plaatsvindt, gevaar opleveren op de werkplek? Dit risico dient door de fabrikant/installateur te zijn afgedekt bij het aanbrengen van het CE-merk op zijn apparatuur én door de gebruiker middels het Explosie Veiligheids Document en de daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen, zoals good housekeeping.

December 2014

Henk Sloots

Overname toegestaan, mits met bronvermelding

AFZUIGINSTALLATIES EN ARBO

De Arbowet stelt eisen aan veiligheid en gezondheid op het werk. Deze wet geldt voor werkgevers en werknemers, maar óók voor zelfstandigen.

In het kader van de Arbowet zijn voor afzuiginstallaties de volgende aspecten van belang:

1. Blootstelling aan houtstof

De Maximaal Aanvaarde Concentratie – kortweg MAC-waarde – voor houtstof bedraagt thans 2 milligram per kubieke meter lucht. Het gaat hier om de stofconcentratie op de werkplek, waaraan personen worden blootgesteld en die wordt ingeademd tijdens het werk. Bij gebruik van een afzuiginstallatie met voldoende capaciteit en een modern machinepark, met goed geconstrueerde opvangkappen, is deze MAC-waarde geen probleem. Voorwaarde is dan wel dat men de kleppen bij de machines consequent bedient, de beschermkap van de cirkelzaag niet te hoog laat staan en geen perslucht gebruikt om werkstukken en machines schoon te blazen.

Een onderzoek naar de blootstelling aan houtstof hoort voor een houtverwerkend bedrijf deel uit te maken van de Risico Inventarisatie & Evaluatie. Daarin moeten ook andere oorzaken van stofontwikkeling worden betrokken, zoals het gebruik van elektrische handgereedschappen en niet opgeruimde stoflagen in het gebouw en op de vloer (good housekeeping!).

In de meeste gevallen wordt de afgezogen lucht na filtratie weer teruggevoerd naar de werkplek. Omdat houtstof – inmiddels bewezen – kankerverwekkend is (met name stof van tropisch hardhout, eiken en beuken) gelden hiervoor strenge eisen. Recirculatie is alleen toegestaan, als de werkgever kan aantonen dat de stofconcentratie in de retourlucht niet meer is dan 10 % van de MAC-waarde. Dat komt neer op maximaal 0,2 mg/m³. Dit is vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit, Hoofdstuk 4, Afdeling 1, Paragraaf 3, Artikel 4.5. Zie de link www.wetten.nl/arbeidsomstandighedenbesluit

Overigens mag worden verwacht dat de MAC-waarde voor kankerverwekkend houtstof in de toekomst verder zal worden verlaagd. In sommige Europese landen is deze nu al vastgelegd op 1 mg/m³.

Riedex levert de gevraagde “bewijslast” met haar afzuigunits mee in de vorm van een zgn. BGIA-certificaat. Het in de afzuigunits toegepaste filtermateriaal is door het Duitse onderzoeksinstituut BGIA getest en gecertificeerd voor een reststofemissie van minder dan 0,1 mg/m³.

2. Blootstelling aan schadelijk geluid

De Arbowet stelt dat er bij geluidsniveaus boven 80 dB(A) maatregelen getroffen moeten worden. Alle afzuigunits van Riedex zitten echter ruim onder dit niveau.

3. Explosiegevaar

Met de invoering van de zgn. Atex-richtlijnen in 2006 is dit onderwerp sterk in de belangstelling komen staan. Om die reden is er een apart artikel aan gewijd. Zie: Afzuiginstallaties en Atex.

N.B.: Wettelijke eisen moeten worden gezien als minimum-eisen. Waar het technisch en economisch mogelijk is, dient gestreefd te worden naar het hoogst mogelijke veiligheidsniveau. Onnodig te vermelden dat Riedex hier terdege rekening mee houdt bij haar produktontwikkeling.

December 2008

Henk Sloots

AFZUIGINSTALLATIES EN MILIEU

Bedrijven dienen te voldoen aan de Wet Milieubeheer, een wet die door de gemeente wordt gehandhaafd. Per 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit hierbij gekomen. Dit heeft vooral administratieve betekenis, specifieke technische eisen zijn door de komst van het Activiteitenbesluit niet gewijzigd. De meeste houtverwerkende bedrijven zijn volgens dit besluit zgn. type B-inrichtingen. Deze zijn niet meer vergunningplichtig. Dat neemt niet weg dat men nog steeds aan de geldende eisen moet voldoen.

Voor afzuiginstallaties zijn de volgende milieu-aspecten van belang:

1. Stofemissie

De emissie-eis voor houtstof is maximaal 5 milligram per kubieke meter uitgeworpen lucht. (zie link). Omdat afzuigunits worden ontworpen om te voldoen aan de Arbo-recirculatie-eis van maximaal 0,2 mg/m3 (zie Afzuiginstallaties en Atex), is deze uitstoot-eis geen enkel probleem.

Bij sommige oude installaties wordt nog een cycloon toegepast. Dit type afscheider is niet in staat om een emissie van minder dan 5 mg te halen. Of zo ’n cycloon dan nog legaal is, hangt onder andere ook af van de totale uitgeworpen hoeveelheid stof, de zgn. massastroom. Het is in de praktijk niet doenlijk om aan te tonen dat een cycloon aan de milieu-eisen voldoet, reden waarom ze meestal worden vervangen door een filter.

2. Geluid

Het toegelaten geluidniveau is sterk afhankelijk van de plaatselijke situatie. Men dient rekening te houden met specifieke geluidvoorschriften van de gemeente bij het buiten opstellen van afzuigapparatuur. Is er in de onmiddellijke nabijheid (binnen 50 meter) geen sprake van gevoelige objecten, zoals woningen, dan zijn er in het algemeen geen problemen.

3. Overvulbeveiliging

Soms schrijft een gemeente de aanwezigheid van een overvulbeveiliging voor. Technisch gesproken heeft dit niet altijd zin, het is echter vaak niet mogelijk om daarover een inhoudelijke discussie met de vergunningverlener te voeren. Om die reden heeft Riedex diverse volmelders en niveauschakelaars in haar leveringsprogramma. Zie onder Producten/Accessoires.

AFZUIGINSTALLATIES EN BRANDVEILIGHEID

Brand vormt in een afzuiginstallatie een reëel risico. Machines kunnen vastlopen en vonken veroorzaken, die vervolgens worden opgezogen en in de afzuiging terechtkomen, met desastreuze gevolgen. Zijn stofexplosies in de houtbewerking een grote uitzondering, brand is dat zeker niet. Het is daarom verwonderlijk dat er voor afzuiginstallaties op het gebied van brandveiligheid bijna geen Europese en Nederlandse regelgeving bestaat.

Installaties > 6000 M³/uur

Voor de grotere installaties, met een capaciteit van meer dan 6000m³ per uur, is er de richtlijn NEN-EN 12779. Die schrijft voor dat deze installaties buiten moeten worden opgesteld, maar gaat niet in op hoe het moet als dat niet mogelijk of wenselijk is.

Verder dient er een blusleiding met brandweerkoppeling gemonteerd te zijn. In geval van brand kan de brandweer een slang op deze leiding koppelen en zo de installatie vol water spuiten, zonder deuren of luiken te hoeven openen.

Zuigleidingen en retourluchtkanalen, die door gevels of brandwerende tussenmuren gaan, moeten – nog steeds volgens NEN-EN 12779 – worden voorzien van brandkleppen. Hierop dienen verbreekcontacten aanwezig te zijn, waardoor de afzuiging bij brand uitvalt. De gehele installatie, inclusief de flexibele slangen, dient goed geaard te zijn.

Installaties < 6000 M³/uur

Voor afzuiginstallaties met een capaciteit van minder dan 6000m³ per uur bestaat er geen specifieke Europese of Nederlandse regelgeving. We kunnen alleen refereren aan een Duitse Din-norm (DIN 8416) voor deze categorie afzuigapparatuur, al heeft die hier geen enkele rechtsgeldigheid. Volgens deze norm dient bij binnenopstelling het maximale opvangvolume van het houtmot beperkt te zijn tot 0,5m³. Verder moeten afzuigunits met aanzuigdiameters van 250mm of meer zijn uitgerust met een automatisch werkend brandblussysteem.

Oude (open) installaties in binnenopstelling

Oude, niet omkaste overdrukinstallaties, waarbij het afval door de ventilator gaat, komen nog veel voor, al zijn ze eigenlijk in het kader van Atex (zie aldaar) niet meer toelaatbaar. Wanneer ze toch (nog) worden gehandhaafd, verdient het aanbeveling een ombouw aan te brengen, vervaardigd uit brandwerend plaatmateriaal, gecombineerd met een automatische poederblusser met alarmcontact (zie onder accessoires)

Wettelijke eis is minimum eis

De lacune in de regelgeving leidt tot veel vragen en discussie over welke maatregelen getroffen dienen te worden. Verzekeraars spelen hierbij een grotere rol dan overheden. Het is daarbij belangrijk te weten dat wettelijke eisen minimum eisen zijn. Verzekeraars kunnen naar eigen inzicht verder gaan in hun eisen bij het accepteren van risico‘s.

December 2008

Henk Sloots